Nieuw Wetenschappelijk bewijs dat God bestaat (2026)

Van de basisschool tot aan de universiteit is mij eigenlijk altijd verteld dat God niet bestaat, en bijna iedereen nam dat aan voor zoete koek, ikzelf inbegrepen. 

Als nuchtere Nederlander vond ik gelovigen extreem, vaag en irrationeel. Voor mij was het argument dat er kinderen met kanker zijn al voldoende om te concluderen dat God niet kan bestaan.

Totdat ik geneeskunde ging studeren en me steeds meer begon te verbazen over de ongekende complexiteit van het menselijk lichaam, opgebouwd uit 30.000 tot 37.000 miljard cellen, waarin elke seconde miljoenen processen naadloos op elkaar zijn afgestemd.

Daar, in de collegezaal, begon mijn overtuiging dat alles het resultaat was van blinde natuurwetten te wankelen en ontstonden de eerste scheurtjes in mijn atheïstische overtuiging.

Ik begon vragen te stellen.

Wat me toen opviel, was niet de kracht van de tegenargumenten, maar de emotionele reactie die mijn vragen opriepen, zelfs bij familieleden.

Het voelde alsof ik aan een heilige overtuiging raakte, want inhoudelijke weerlegging bleef vaak uit en maakte plaats voor persoonlijke aanvallen.

Gelukkig hebben we het internet. Via lezingen, interviews en artikelen kwam ik rationele argumenten van wetenschappers en filosofen tegen waar ik niet zomaar omheen kon.

Na jaren van lezen, nadenken en twijfelen vind ik ‘puur toeval’ simpelweg ongeloofwaardig en is het voor mij aannemelijker dat er meer is.

Ik ga je niet vertellen welke specifieke geloofsovertuiging gelijk heeft, want die absolute zekerheid heb ik niet. Ze blijven menselijke pogingen om het goddelijke te doorgronden.

Maar met de volgende tien argumenten heb ik meer dan de helft van mijn omgeving serieus aan het twijfelen gekregen over hun vanzelfsprekende atheïsme.

Illustratie van een oudere natuurkundige in profiel, omringd door sterren, formules en een kosmische explosie van licht

1. Het begin van het universum en de vraag naar een eerste oorzaak

Explosieve lichtkern die doet denken aan de Big Bang, omringd door gloeiende ringen in het duister

Volgens de moderne kosmologie is het universum niet eeuwig in zijn huidige vorm, maar heeft het een begin gehad. Dit begin wordt in de natuurkunde beschreven via de oerknaltheorie.

Als het universum een begin heeft, roept dat een fundamentele vraag op: Wat veroorzaakte dat begin?

In ons dagelijks leven zien we dat dingen die beginnen te bestaan doorgaans een oorzaak hebben. Een huis ontstaat niet zonder bouwer, en een explosie gebeurt niet zonder aanleiding. Het idee dat iets “uit niets” ontstaat zonder oorzaak, vinden we in andere situaties onlogisch.

Wanneer we dit principe toepassen op het universum zelf, ontstaat de volgende redenering:

Alles wat begint te bestaan heeft een oorzaak. Het universum is begonnen te bestaan. Dus het universum heeft een oorzaak.

In de filosofie wordt deze eerste oorzaak ook wel de eerste beweger of, in de klassieke terminologie van Aristoteles, de onbewogen beweger genoemd.

Stel je voor dat het universum volledig gedetermineerd is: dus elke gebeurtenis volgt noodzakelijk uit wat eraan voorafging. Als dat zo is, dan ligt de volledige ontwikkeling van het universum, inclusief alle toekomstige gebeurtenissen, in principe besloten in de begincondities van het universum.

Niet omdat de eerste oorzaak later opnieuw ingrijpt, maar omdat alles wat volgt noodzakelijk voortvloeit uit het oorspronkelijke begin.

Wanneer ik bijvoorbeeld een paar ballen uit mijn hand laat vallen, ligt op het moment van loslaten de uitkomst en het verdere verloop al vast in de zwaartekracht, de beginsnelheid, de hoek waaronder ik ze loslaat en de overige omstandigheden zoals luchtweerstand.

Als je al die factoren kent wordt het verloop volledig bepaald door vaste natuurwetten en kan het niet anders dan dat de ballen een voorspelbare baan volgen.

Op dezelfde manier ligt, binnen een strikt deterministisch wereldbeeld, de volledige ontwikkeling van het universum al besloten in de begincondities.

2. De afstemming van het universum

Kosmisch tafereel met een stralend centrum waaruit licht opstijgt, omringd door sterrenstelsels en natuurkundige formulesHet universum is te precies afgesteld om puur toeval te zijn.

De fundamentele krachten en natuurconstanten hebben namelijk extreem specifieke waarden. 

Denk aan de sterke kernkracht, die protonen en neutronen bij elkaar houdt, of aan de kosmologische constante, die invloed heeft op de uitdijing van het heelal. Dat zijn extreem specifieke getallen.

Als de sterke kernkracht iets zwakker was geweest, dan zouden atoomkernen niet stabiel zijn en zou materie zoals wij die kennen niet kunnen bestaan. Was die iets sterker geweest, dan zou alles juist veel te snel samenklonteren.

Hetzelfde geldt voor de kracht die de uitdijing van het universum aandrijft. Als die maar een fractie sterker was geweest, zou het heelal zo snel zijn uitgedijd dat sterren en sterrenstelsels nooit konden ontstaan. Was die iets zwakker geweest, dan was alles weer in elkaar gestort.

Hoe absurd klein die speelruimte is, wordt straks duidelijk als we de cijfers erbij halen.

De reden dat deze constanten zo belangrijk zijn, is niet alleen omdat ze “precies” zijn, maar omdat ze bepalen of er überhaupt complexe materie kan bestaan.

Als atoomkernen niet stabiel zijn, bestaan er geen koolstof- en zuurstofatomen. Zonder die elementen is er geen chemie zoals wij die kennen.

En als het universum te snel uitzet, kan er geen structuur ontstaan, waardoor sterrenstelsels en planeten uitblijven, vloeibaar water zich niet vormt en er geen stabiele omgeving ontstaat waarin leven zich kan ontwikkelen.

Met andere woorden: deze constanten bepalen niet alleen of er materie is, maar of er complexe, stabiele chemie mogelijk is. Zonder complexe chemie kan leven niet ontstaan.

Het is juist deze uitzonderlijk nauwe afstemming die dat mogelijk maakt.

Sommige berekeningen suggereren dat de toegestane afwijking niet groter mag zijn dan één op een getal met 120 nullen. Dat is een 1 gevolgd door 120 nullen.

Ter vergelijking: in het waarneembare universum zijn er naar schatting ongeveer 10 tot de macht 80 atomen. We hebben het dus over een precisie die de totale hoeveelheid materie in het universum ver overstijgt.

Hebben we hier te maken met het grootste kosmische toeval ooit, met kansen die praktisch nul zijn, of met iets anders?

Toch vond een van mijn beste vrienden dit een slecht argument. We hebben er uren over gediscussieerd. Op een gegeven moment zei hij: “Waar vergelijken we die ‘extreem kleine kans’ eigenlijk mee?”

Volgens hem ga ik er namelijk vanuit dat alles “ingesteld” is, terwijl het net zo goed zo kan zijn dat het simpelweg altijd al zo moest zijn. Met andere woorden: het bestaat nu eenmaal, dus misschien is dit gewoon hoe de werkelijkheid per definitie is.

Ik zei daarop dat dit voor mij nogal wat mentale gymnastiek vereist. In bijna alles wat we kennen kunnen waarden variëren: temperatuur, snelheid, zwaartekracht, noem maar op. Maar precies bij de krachten die materie en het universum mogelijk maken zouden er opeens geen andere waarden mogelijk zijn? Dat vond ik geen sterk tegenargument.

We noemen iets onwaarschijnlijk omdat het vanuit menselijk perspectief uitzonderlijk lijkt. Maar we beschikken niet over een reeks andere universa waarmee we kunnen vergelijken. Misschien is dit simpelweg hoe natuurwetten altijd uitpakken. Misschien bestaan er talloze universa met andere waarden, waarvan de meeste geen complexe materie voortbrengen. Of misschien zijn de natuurwetten noodzakelijk en hadden ze nooit anders kunnen zijn.

Wat wij “fijn afgestemd” noemen, kan ook het gevolg zijn van selectie: alleen in een universum waar complexe structuren mogelijk zijn, kan iemand de vraag stellen waarom dat zo is.

Met andere woorden: spreken we hier over een bijna onmogelijke toevalstreffer, of over een onvermijdelijke uitkomst waarvan wij slechts het waarnemersperspectief innemen?

Het probleem is dat elke poging tot verklaring nieuwe vragen oproept. Als er meerdere universa zijn, waar komen die natuurwetten dan vandaan? Als de natuurwetten noodzakelijk zijn, waarom juist deze wetten?

Het antwoord lijkt steeds een laag dieper te verschuiven, tot mijn brein het nauwelijks nog kan bevatten en ik even moest gaan wandelen.

3. Het niet-materiële

Glowing menselijke hersenen in een sterrenhemel, met lichtstralen die vanuit het universum op het brein neerdalen en een verbinding tussen kosmos en bewustzijn symboliserenEen goede vriend nam mij ooit mee naar een kerkdienst. Het zingen en worshippen voelde voor mij eerlijk gezegd wat ongemakkelijk, een beetje een te-ver-van-mijn-bed-show.

Maar daarna hield de pastoor een bijna academisch betoog dat me wél aan het denken zette. Hij zei ongeveer het volgende.

Wij bestaan uit materie en ons brein is materie. Alles wat we waarnemen, analyseren en begrijpen, doen we via een fysiek orgaan dat zelf onderdeel is van het materiële universum. Maar stel dat er iets bestaat dat niet-materieel is, iets dat buiten ruimte, tijd en materie valt. Hoe zouden wij dat dan volledig kunnen bevatten met een instrument dat zelf volledig materieel is?

Een tweedimensionaal wezen kan zich geen derde dimensie voorstellen en een hond kan geen differentiaalvergelijkingen oplossen, niet omdat ze dom zijn, maar omdat hun cognitieve mogelijkheden begrensd zijn. Wat als wij ook begrensd zijn?

Als God, of een ultieme realiteit, daadwerkelijk buiten ruimte, tijd en materie staat, dan is het niet vreemd dat wij daar geen volledige toegang toe hebben. Het feit dat wij iets niet kunnen aantonen of volledig begrijpen, betekent nog niet dat het niet bestaat.

Wanneer je alleen accepteert wat je kunt meten, beperk je de werkelijkheid tot wat je instrumenten kunnen detecteren.

Ik stel mensen daarom weleens een simpele vraag: houd je van je moeder? Meestal is het antwoord direct ja. Maar kun je die liefde meten? Kun je haar wegen in kilo’s, in een reageerbuis stoppen of op een MRI-scan aanwijzen waar precies 42 gram liefde zit? Natuurlijk niet.

Je kunt hersenactiviteit meten en hormonen in kaart brengen, maar hoe liefde werkelijk voelt, laat zich niet volledig reduceren tot cijfers. En toch twijfelt vrijwel niemand eraan dat liefde echt bestaat.

Uiteraard kwam diezelfde vriend met een scherp tegenargument.

Als wij alleen toegang hebben tot het materiële, en God of een ultieme realiteit zou niet-materieel zijn, dan kunnen we inderdaad niet aantonen dat zoiets bestaat. Maar dan kunnen we ook niet bevestigen dat het bestaat. Oftewel: het argument ondersteunt niets. Het maakt geloof niet sterker en ongeloof niet zwakker. Het leidt slechts tot één eerlijke conclusie: we weten het niet.

En daar zat precies de frictie.

Want als we strikt logisch zijn, dan is neutraliteit de enige zuivere positie. We kunnen het niet bewijzen en we kunnen het niet ontkrachten.

Toch zie je vaak iets anders gebeuren. Wat we niet kunnen meten, schuiven we automatisch naar de categorie: bestaat niet, omdat ons brein verlangt naar houvast.

Waarneembaar is waar. Niet waarneembaar is niet waar. Maar zo werkt wetenschap zelf niet.

De mensen waar ik het in de intro over had, reageren vaak fel, niet zozeer na diepgravend onderzoek, maar vanuit een eenvoudig denkraamwerk: wat meetbaar is, is echt. Wat niet meetbaar is, is onzin.

Dat voelt rationeel, maar het is vooral comfortabel. Het voorkomt dat je moet leven met fundamentele onzekerheid.

4. Zelfs Einstein zag meer dan alleen materie

Portret van Albert Einstein tegen een sterrenhemel, met licht dat uit zijn hoofd straalt en natuurkundige formules zoals E=mc² die kosmisch inzicht symboliserenAls iemand het gezicht van de moderne wetenschap was, dan was het wel Albert Einstein, de man die onze kijk op ruimte en tijd fundamenteel veranderde en wordt beschouwd als een van de grootste natuurkundigen ooit.

Toch sprak ook hij over God. Niet over een man met een baard op een wolk, maar over wat hij “Spinoza’s God” noemde: een rationele, onderliggende orde achter het universum. Hij kon zich moeilijk voorstellen dat het universum pure chaos zonder betekenis was. Voor hem zat er een diepe structuur en intelligentie in de wetten van de natuur zelf.

En hij stond daarin niet alleen.

Isaac Newton, grondlegger van de klassieke mechanica, schreef meer over theologie dan over natuurkunde.

Max Planck, de vader van de kwantumtheorie, stelde dat achter materie een bewuste en intelligente geest moet staan.

Francis Collins, voormalig directeur van het Human Genome Project en jarenlang hoofd van de National Institutes of Health, is openlijk christen.

Geloof en wetenschap sluiten elkaar dus niet automatisch uit.

Sterker nog, grofweg een derde tot veertig procent van de wetenschappers gelooft in een vorm van God of een hogere macht. Dat is geen verwaarloosbaar groepje.

Dat betekent natuurlijk niet automatisch dat God bestaat, maar het laat wel zien dat zelfs binnen de wetenschappelijke wereld ruimte is voor de overtuiging dat de werkelijkheid meer omvat dan blinde materie.

Toen ik een vriend vertelde dat tot wel 30–40% van de wetenschappers in God gelooft, stelde hij me tijdens onze discussie een vraag: “Oh ja? En wat gelooft de meerderheid dan?” Het voelde even als een soort checkmate en we begonnen keihard te lachen.

Toch is het feit dat het merendeel van de wetenschappers niet in God gelooft op zichzelf geen onderbouwing dat God niet bestaat. Je kunt het namelijk ook anders bekijken. De meeste wetenschappers worden, kort door de bocht gezegd, atheïstisch opgeleid binnen een kader waarin alles draait om empirisch bewijs: wat je kunt meten, observeren en testen. Hun werk is gebaseerd op wat in de praktijk aantoonbaar is. Juist daarom vind ik het opmerkelijk dat nog steeds een aanzienlijk percentage van hen in God gelooft.

Dit doet me denken aan een bekende uitspraak van Werner Heisenberg:

“De eerste slok uit de beker van de natuurwetenschap maakt je atheïst, maar op de bodem van het glas wacht God.”

Met andere woorden: als je oppervlakkig kijkt, lijkt alles mechanisch en toevallig. Maar hoe dieper je de werkelijkheid onderzoekt, hoe meer je wordt geconfronteerd met orde, wiskundige elegantie en een precisie die moeilijk te rijmen is met puur toeval.

Wanneer ik vrienden wil laten zien hoe beperkt onze kennis eigenlijk nog is, zeg ik weleens dat we, zelfs als we honderdduizend van de beste wetenschappers ter wereld zouden samenbrengen, nog steeds geen enkel eencellig organisme volledig vanaf nul kunnen creëren.

Dat plaatst onze vooruitgang in perspectief: we weten veel, maar we zijn nog lang niet in de buurt van alles weten. Soms staan we dichter bij niet-weten dan we zelf willen toegeven.

5. Het menselijk lichaam wijst op ontwerp

Menselijk lichaam in vitruviaanse houding met zichtbare organen, omringd door wiskundige formules en geometrische lijnenToen ik geneeskunde studeerde, was er een heel blok gewijd aan de samenwerking tussen hart, longen en nieren, die elk op zich al natuurkundige wonderen zijn.

Wat me vooral bijbleef, is hoe nauw alles op elkaar is afgestemd. Zodra er één klein detail verandert, zoals een minimale afwijking in bloeddruk, zuurstofspanning of zuurgraad, raakt het hele systeem uit balans.

Het punt dat ik hiermee wil maken, is dat het menselijk lichaam alleen functioneert wanneer het ontwerp kant-en-klaar is en meerdere systemen gelijktijdig samenwerken.

Daarom vind ik het lastig om te geloven dat zulke complexe systemen volledig orgaan voor orgaan zijn ontstaan. 

Ik geloof wel in aanpassingen binnen een soort, wat we micro-evolutie noemen, omdat dat duidelijk waarneembaar is. 

Darwin zag bijvoorbeeld op de Galapagoseilanden hoe vogels zich aanpasten aan hun omgeving, met variaties in snavelvorm en grootte die pasten bij het beschikbare voedsel en het klimaat. Dat zijn veranderingen binnen bestaande structuren.

Het verschil tussen de snavels van vinken (micro) en het ontstaan van een nier (macro) is niet alleen een kwestie van tijd, maar van instructie. Bij micro-evolutie zie je variatie op een thema dat al aanwezig is. 

Maar voor een nieuw, geïntegreerd systeem is compleet nieuwe genetische informatie nodig die op meerdere plekken tegelijkertijd moet kloppen.

Ik herhaal: op meerdere plekken tegelijkertijd. Laat dat eens goed tot je doordringen, want pas dan voel je waar mijn punt wringt.

Neem nu een absurd voorbeeld van mij dat ik gisteren nog aan iemand vertelde.

Stel dat wij als mens een slurf op ons voorhoofd nodig zouden hebben om te overleven.

Hoe ontstaat zoiets? Zo’n slurf vraagt niet alleen om wat extra huid, maar om een geïntegreerd systeem: spieren om te bewegen, een eigen bloedvoorziening, gespecialiseerde zenuwen en een directe verbinding met het brein om hem te kunnen aansturen. 

Dat veronderstelt bijna een soort miljoenenjarenplan waarbij generaties lang geselecteerd wordt op iets wat in het begin nauwelijks functioneel is.

Stel dat er in een eerste generatie een kleine bult op het voorhoofd ontstaat. Wanneer groeien daar extra zenuwen naartoe? 

Wanneer wordt de doorbloeding aangepast? Hoe wordt zo’n willekeurige afwijking het begin van een bruikbaar orgaan?

Zolang die bult geen duidelijke functie of voordeel heeft, werkt zo’n afwijking eerder tegen je dan voor je. In de natuur, en ook bij mensen, worden extreme afwijkingen in partnerkeuze vaak afgewezen.

Wat zichtbaar uit de pas loopt, vergroot doorgaans niet je voortplantingskansen.

Pas als je stilstaat bij wat er nodig is om een volledig nieuw, functioneel orgaan te laten ontstaan, besef je hoe groot die stap is. 

Het gaat niet om één kleine aanpassing, maar om meerdere onderling afhankelijke veranderingen die pas zinvol zijn als ze samen werken.

Aan de andere kant is een aanpassing van iets dat er al is prima voor te stellen. Denk aan bepaalde inheemse bevolkingsgroepen in het Afrikaanse regenwoud, zoals de pygmeeën, waar een kleinere lichaamslengte een voordeel kan zijn om door dichte begroeiing te bewegen en efficiënt te jagen.

Dat is logisch, want het is een aanpassing van de lengte die er al was. Maar de stap van ‘iets korter worden’ naar ‘een compleet nieuw orgaan met alles erop en eraan’ is een totaal ander verhaal.

Daarom voelt de stap van kleine aanpassingen naar compleet nieuwe, volledig geïntegreerde systemen die puur uit ongerichte processen ontstaan voor mij als een veel grotere sprong.

Daar komt nog iets bij wat in de evolutiebiologie path dependence wordt genoemd. 

Als een evolutionair pad eenmaal is ingeslagen, kun je niet zomaar terug en opnieuw beginnen. Elke volgende stap bouwt voort op eerdere keuzes. Dat betekent dat het eindresultaat sterk afhankelijk is van toevallige eerdere vertakkingen.

Maar als je naar het menselijk lichaam kijkt, zie je een systeem dat opvallend coherent en functioneel geïntegreerd is. Als alles werkelijk stap voor stap, systeem voor systeem, via talloze toevallige omwegen zou zijn opgebouwd, dan zou je verwachten dat er veel meer suboptimale, rommelige of conflicterende structuren zichtbaar zijn. Toch zie je juist een hoge mate van onderlinge afstemming.

Natuurlijk ken ik de voorbeelden van zogenaamd ‘slecht ontwerp’, zoals de blinde vlek in ons oog of de merkwaardige route van bepaalde zenuwen, zoals de nervus laryngeus recurrens.

Die zenuw loopt vanuit de hersenen naar het strottenhoofd, maar maakt onderweg eerst een grote omweg langs het hart voordat hij weer omhoog gaat naar de keel. Evolutionair is dat verklaarbaar, omdat de anatomie zich geleidelijk heeft aangepast aan veranderingen in lichaamsvorm. Maar als je het puur als ontwerp bekijkt, lijkt het inefficiënt.

Hoewel het op het eerste gezicht inefficiënt lijkt, leerde ik als geneeskundestudent dat het lichaam geen optelsom is van losse onderdelen die elk afzonderlijk perfect moeten zijn; het draait om de integrale samenwerking van het geheel.

Een blinde vlek is dan een klein compromis in een visueel systeem dat ons verder een ongelooflijke resolutie en dieptewaarneming geeft. Voor mij voelt dat niet als ‘geknutsel’, maar als een systeem dat zo complex is dat wij de volledige logica achter die specifieke compromissen misschien nog niet eens volledig doorgronden.

Dat maakt het voor mij lastig om alles aan toeval toe te schrijven. Begrijp me niet verkeerd: het macro-evolutieargument is inhoudelijk sterk, maar ik vind aanpassing binnen een bestaand kader (micro) simpelweg aannemelijker dan het ontstaan van compleet nieuwe systemen. 

Hoe het dan precies wél zit? Dat weet ik ook niet, ik heb geen kant-en-klaar alternatief. Maar ik zie binnen de huidige theorie simpelweg nog te veel gaten als het gaat om complexe structuren. 

Voor mij is het niet vanzelfsprekend dat we uit eencelligen zijn voortgekomen zonder dat daar een diepere ordening of richting achter zit.

En dat sluit ook aan bij wat je in de ontwikkelingsbiologie ziet.

Gloeiende foetus in de baarmoeder tegen een sterrenhemel, omgeven door geometrische lijnen en natuurkundige formules die kosmische orde symboliserenIn de vroege fase van een embryo wordt het basisplan van het lichaam vastgelegd. Dan wordt bepaald waar organen komen, hoe structuren zich vormen en hoe alles op elkaar wordt afgestemd. 

Dat zijn uiterst gevoelige processen, omdat je daarmee in feite aan de blauwdruk zelf sleutelt. Mutaties in die fase hebben vaak grote gevolgen, en zelfs kleine verstoringen kunnen leiden tot ernstige afwijkingen of embryo’s die niet levensvatbaar zijn.

Met andere woorden: ingrijpende veranderingen helemaal aan het begin zijn meestal fataal.

Later in de ontwikkeling, wanneer het basisplan al vastligt, zijn veranderingen vaker levensvatbaar. Dan ontstaan variaties binnen een bestaand kader, zoals meer pigment in zonnige gebieden, minder lichaamsbeharing in warme klimaten of verschillen in lengte en andere kleinere aanpassingen. Dat soort variatie is goed te begrijpen en ook goed gedocumenteerd.

Ik zag hierover eens een gesprek tussen drie professoren, zowel atheïstische als gelovige wetenschappers, en over één punt waren ze het eens: kleine variaties binnen soorten zijn goed verklaarbaar. 

De moeilijkere vraag is hoe puur willekeurige mutaties, in combinatie met natuurlijke selectie, volledig nieuwe en complexe systemen zouden kunnen opbouwen. 

Volgens sommige berekeningen is de wiskundige waarschijnlijkheid daarvan extreem klein.

Dat betekent niet automatisch dat het onmogelijk is. Maar het laat wel zien dat de stap van kleine aanpassingen naar compleet nieuwe geïntegreerde systemen geen triviale sprong is.

Juist daarom maakte mijn studie diepe indruk op me. 

Ik zag van dichtbij hoe ongelooflijk complex en verfijnd het menselijk lichaam is, en hoe meer ik leerde, hoe minder vanzelfsprekend het allemaal leek. 

Andrew Huberman, hoogleraar neurowetenschappen aan Stanford, merkt ook op dat het lichaam zó complex is dat het moeilijk voorstelbaar is dat dit puur toeval zou zijn.

Denk eens aan het volgende: als je op het strand een Rolex-horloge vindt, ga je er dan vanuit dat wind, zand en miljoenen jaren dat horloge hebben gevormd, of is het logischer dat er een ontwerper achter zit?

Blijkbaar geldt voor ons intuïtief dat hoe complexer en doelgerichter iets is, hoe sterker het vermoeden ontstaat dat er ontwerp achter schuilt. Misschien maak ik mij daar zelf ook schuldig aan, zoals je inmiddels wel merkt.

En het menselijk lichaam is geen simpel horloge met een paar tandwieltjes, maar een zelfherstellend, zelfregulerend en zichzelf reproducerend biologisch systeem waarin miljarden processen nauwkeurig op elkaar zijn afgestemd.

Tijdens een zwangerschap heb je geen idee hoe een kind zich precies vormt, en toch voltrekken zich ontelbaar veel processen die feilloos gecoördineerd verlopen. Hoe “weet” elke cel wat ze moet doen? Het blijft iets wonderbaarlijks.

Juist in die verwondering zag ik ook verschillende reacties bij mensen om me heen. Sommige chirurgen gingen zichzelf steeds meer als een soort God beschouwen, alsof zij volledige controle hadden over leven en dood. 

Anderen kregen juist méér ontzag voor wat zij “de schepping” noemden. Die laatste groep zag hun werk niet als iets wat zij volledig beheersen, maar als iets waaraan zij mogen bijdragen, in het besef dat er een grotere orde achter schuilt. 

Sommigen geloofden zelfs oprecht dat God hun handen leidt tijdens operaties.

6. Het “aap-argument”

Illustratie van een vroege mensachtige tegen een kosmische achtergrond, met DNA-spiralen en een reeks evolutiestadia die menselijke evolutie symboliserenOns DNA komt voor 98 tot 99 procent overeen met dat van chimpansees. Daarom heb je talloze keren gehoord dat wij van de apen afstammen.

Maar wist je dat we ook ongeveer 85 procent van ons DNA delen met muizen, rond de 60 procent met bananen en een vergelijkbaar percentage met fruitvliegen? Dat betekent natuurlijk niet dat we van bananen of fruitvliegen afstammen.

Die overeenkomsten laten vooral zien dat levende organismen dezelfde biologische bouwstenen gebruiken. We bestaan allemaal uit cellen, maken gebruik van dezelfde genetische code en werken met vergelijkbare basale eiwitten. Als je dezelfde chemische basis deelt, is een zekere overlap in genetische informatie logisch. Hoe complexer het organisme, hoe meer fundamentele processen je met andere organismen gemeen hebt.

De vraag is dus wat die overeenkomst precies betekent. Voor veel biologen wijst gedeelde genetische informatie op gemeenschappelijke afstamming. Maar je kunt ook redeneren dat gedeelde informatie kan wijzen op een gemeenschappelijke bron of ontwerper.

Als meerdere gebouwen met dezelfde bakstenen zijn gebouwd, betekent dat niet automatisch dat het ene gebouw uit het andere is voortgekomen.

Ik heb geen perfect alternatief voor evolutie, en eerlijk gezegd acht ik de kans zeer groot dat we van apen afstammen.

Maar probeer er, net als ik, rekening mee te houden dat het aapverhaal misschien toch een broodje aap is.

En nogmaals: het gaat me niet zozeer om de stap van aap naar mens, maar juist om de veel grotere sprongen daarvoor. Van eencellig leven naar complexe meercellige organismen. En uiteindelijk naar bewust denkende wezens zoals wij.

7. Gered door het concept van God

Stel je voor dat je aanspoelt op één van twee onbekende eilanden.

Op het eerste eiland gelooft men niet in God. Er is geen hoger moreel gezag en geen ultieme norm boven de mens. Wat goed of fout is, wordt bepaald door macht, meerderheid of praktisch nut.

Op het tweede eiland geloven de mensen wél in God. Volgens hun overtuiging is het doden van onschuldige mensen absoluut verboden, omdat ieder mens geschapen is naar Gods beeld.

Op het tweede eiland heb je dus puur statistisch gezien een grotere kans om te overleven.

Het punt is niet dat gelovigen per definitie moreel zijn en niet-gelovigen niet. De kern van de kwestie ligt dieper: waar is moraal uiteindelijk op gebaseerd?

Ik zag ooit een discussie waarin een atheïst werd gevraagd of moord slecht is. Hij zei ja. Waarom? Omdat het slecht is voor de maatschappij. Waarom is dat erg? Omdat toekomstige generaties dan niet veilig kunnen leven. Waarom is dat belangrijk? Omdat welzijn belangrijk is. Maar waarom zou ik moreel verplicht zijn om welzijn te bevorderen in plaats van alleen mijn eigen belang? En waarom is overleven überhaupt belangrijk? Als ik dit allemaal niet belangrijk vind, op basis waarvan kun je dan zeggen dat ik ongelijk heb?

Als je lang genoeg doorvraagt, kom je uiteindelijk op een punt waarop het antwoord niet meer helder is. Je blijft cirkelen rond termen als overleving, stabiliteit, welzijn, maar nergens wordt echt duidelijk wat het concrete evolutionaire voordeel precies is.

Mijn zusje zei dat het gewoon een bijwerking van evolutie is. Eigenschappen die gemiddeld een hogere overlevingskans geven, blijven bestaan. Dus wie weet sijpelt een morele actie van iemand, in the grand scheme of things, uiteindelijk door in het voortbestaan van de groep. En eerlijk is eerlijk, dat is een sterk punt. Stel dat iemand opkomt voor de rechten van homo’s in een land waar hij weet dat hij geëxecuteerd zal worden. Zijn familielijn stopt, wat indruist tegen directe evolutie. Maar misschien ontketent zijn daad een revolutie die het welzijn van de groep verhoogt. Dat kan zeker.

Ze stelde vervolgens dat ik met betere voorbeelden moest komen, anders kon ik dit argument maar beter schrappen.

En toen moest ik meteen denken aan haar dierenliefde. Ze is fel tegen dierenleed, heeft zelfs een getraumatiseerde hond uit Curaçao geadopteerd en inmiddels meer dan 10.000 euro aan zorgkosten betaald. Dat doe je niet omdat het je genetische succes vergroot.

Dus ik vroeg haar: waarom is dierenleed verkeerd? Waarom is het verkeerd dat we kippen in piepkleine hokken stoppen zodat we zo goedkoop mogelijk kunnen eten? Puur evolutionair gezien is dat efficiënt. Het vergroot onze overlevingskansen. Dit voorbeeld is juist zo krachtig omdat het niet over onze directe medemens gaat, maar over dieren die evolutionair verder van ons afstaan.

Waarom is het verkeerd om ouderen te laten creperen? Waarom is het verkeerd om hen voedsel te onthouden omdat ze niet meer productief zijn? Waarom vinden we het moreel verwerpelijk om mensen met een handicap te doden of hun het recht op voortplanting te ontzeggen? Dat gaat regelrecht in tegen een harde, kille lezing van evolutie. Want als middelen schaars zijn, zou je ze volgens die logica investeren in de “sterkste” leden van de groep.

Deze voorbeelden staan los van direct eigenbelang of voortplantingsdrang. Ze laten zien dat ons morele oordeel niet puur gebaseerd is op overlevingsvoordeel of genetisch succes. En precies daar loopt evolutie als fundament voor moraal vast.

En dat is relevant, omdat evolutie voor veel mensen een van de pilaren onder hun atheïsme is. 

Als ons morele kompas niet volledig te verklaren is vanuit overleving en natuurlijke selectie, waar komt dat ingebouwde morele besef dan vandaan?

Hopelijk zet dit alles je aan het denken. Ik heb mijn zusje helaas niet kunnen overtuigen, maar ik heb haar wel zover gekregen dat ze zei dat de evolutietheorie een theorie is, we zijn er immers niet bij geweest.

Dat is in ieder geval een begin. Soms begint echte verdieping niet met directe overtuiging, maar met het openen van één kleine deur van twijfel.

Weetje

Wist je dat er wereldwijd naar schatting meer dan 4.000 religies en levensbeschouwelijke stromingen bestaan? Dan moet jouw geloof wel héél toevallig de juiste zijn.

8. Waarom gelooft bijna iedereen in God?

Ongeveer 80 tot 85 procent van de wereldbevolking gelooft in een vorm van God of een hogere macht. Dat maakt geloof vrijwel een universeel menselijk verschijnsel.

Hoe kan dat? Waarom lijkt de mens van nature open te staan voor het idee dat er meer is dan alleen materie?

Blijkbaar zit er iets in ons dat gericht is op iets dat groter is dan wijzelf. In de islam bestaat daar zelfs een specifiek woord voor: fitrah, het aangeboren vermogen van de mens om God te herkennen. Binnen het christendom vind je een vergelijkbare gedachte in het idee dat de mens geschapen is naar het beeld van God, of dat er een innerlijk besef van God in het hart gegrift ligt.

Sommigen zeggen dat religie slechts een evolutionaire bijwerking is. Dat kan. Maar evolutie selecteert doorgaans eigenschappen die bijdragen aan overleving en voortplanting. Als geloof in God puur een massale illusie zou zijn, een systematische vergissing over de werkelijkheid, dan blijft de vraag waarom zo’n misvatting zo universeel en zo hardnekkig is gebleken in vrijwel elke cultuur door de geschiedenis heen.

Waarom zou een fundamentele misinterpretatie van de realiteit wereldwijd ontstaan én blijven voortbestaan?

Je kunt aanvoeren dat geloof groepscohesie bevordert of angst vermindert, en daar zit ongetwijfeld een kern van waarheid in. Maar daarmee erken je tegelijk hoe diepgeworteld en krachtig het idee van God is, zó krachtig dat het complete beschavingen heeft gevormd en sociale structuren heeft beïnvloed.

Het kan ook andersom zijn: misschien zoeken mensen overal en altijd naar God omdat de menselijke geest afgestemd is op iets dat daadwerkelijk bestaat.

We ervaren honger omdat voedsel bestaat en dorst omdat water bestaat. Waarom ervaren zoveel mensen dan een bijna universeel verlangen naar betekenis, naar transcendentie, naar iets dat groter is dan henzelf?

Als vrijwel de hele mensheid, door alle tijden heen, in dezelfde richting wijst, dan is het op zijn minst de moeite waard om die richting serieus te onderzoeken.

9. Als God je krachtiger maakt, is Hij dan echt?

Er is nog een andere manier om naar dit vraagstuk te kijken. Niet alleen wetenschappelijk in de zin van wat we kunnen meten in het universum, maar ook pragmatisch: wat doet een overtuiging met een mens in het echte leven?

Er zijn verschillende studies die laten zien dat religieuze mensen gemiddeld vaker hoger levensgeluk rapporteren, minder depressieve klachten ervaren en zich sterker sociaal verbonden voelen.

Een ondernemer vertelde in een video over een moslim die voor hem werkte. Zijn kind werd doodgeboren. Toen hij dat nieuws kreeg, zei hij: “Het is Gods wil.” Hoe zwaar het verlies ook was, de volgende dag stond hij weer op zijn werk en bleef hij mentaal opmerkelijk stabiel.

Blijkbaar gaf die overtuiging hem een kader om met iets ondraaglijks om te gaan.

Het idee van “Gods wil” sluit gek genoeg aan bij het eerdere punt over oorzaak en gevolg. Als je gelooft dat alles voortkomt uit een keten van oorzaken die teruggaat tot het begin, dan stond elk moment in zekere zin al vast binnen die structuur. Dat plaatst alles in een groter geheel.

Hoe dan ook lijkt zijn geloof hem een mentale kracht te geven die ik op dat moment waarschijnlijk niet had gehad. En soms zie je dat zo’n innerlijke houding zelfs doorwerkt in het lichaam.

Carl Jung, de Zwitserse psychiater en grondlegger van de analytische psychologie, zei ooit dat hij het bestaan van God niet met puur empirische instrumenten kon bewijzen. Maar na duizenden patiënten te hebben behandeld, merkte hij dat mensen met een levend geloof vaak sneller herstelden en dat hun herstel langer standhield.

Het doet me ook denken aan wat Andrew Huberman eens vertelde. Sommige van zijn collega-professoren waren extreem intelligent, academisch succesvol en ogenschijnlijk volledig in controle, maar worstelden toch met diepe leegte. In sommige gevallen eindigde dat zelfs tragisch. Intellect alleen beschermt blijkbaar niet tegen existentiële wanhoop.

Huberman gaf ook aan dat hij vroeger alles onder controle wilde houden, maar later merkte dat er rust kwam toen hij leerde controle los te laten, en dat hij soms simpelweg een gebed uitspreekt.

Als het geloof in God mensen structureel sterker maakt, is het te makkelijk om het zonder meer als illusie af te doen.

Misschien is het een placebo. Maar wat me telkens opvalt bij al deze punten die ik aandraag, is hoe snel mensen met stellige aannames komen. 

“Het is gewoon chemie.” “Het is evolutie.” “Het is een psychologisch trucje.” 

Dat kan. Maar ook dat zijn aannames. Uiteindelijk weet je het niet.

10. De tv zonder Signaal

Onlangs hoorde ik een mooie vergelijking die uitlegt waarom we God misschien niet direct kunnen zien.

Wanneer je televisie kijkt, zie je kleuren, beweging en beelden die over het scherm glijden. Alles wat zichtbaar is, speelt zich daar af. Wat je niet ziet, is het signaal zelf. Je ziet de radiogolven niet, je ziet de data niet die via satellieten, kabels of netwerken wordt verzonden, en je ziet het medium niet dat de informatie draagt. Toch weet je dat het er is, want zonder dat onzichtbare signaal blijft het scherm zwart.

Het feit dat je iets niet direct kunt waarnemen, betekent dus niet dat het niet bestaat. Je ziet alleen de uitwerking ervan.

Misschien is het met de werkelijkheid net zo. Wij zien materie, meten energie en analyseren natuurwetten, maar dat is mogelijk slechts het “scherm”. Het zou kunnen dat wat wij waarnemen de uitdrukking is van iets fundamentelers dat zelf niet direct zichtbaar is.

Net zoals een televisie geen beeld kan tonen zonder een onderliggend signaal, zou de materiële werkelijkheid afhankelijk kunnen zijn van een diepere, niet-materiële oorzaak.

11. DMT en de ervaring van een andere werkelijkheid

Mensen die DMT of andere sterke psychedelica gebruiken, beschrijven opvallend vaak vergelijkbare ervaringen. 

Ze spreken over het ontmoeten van entiteiten, over een werkelijkheid die lijkt te bestaan uit trillingen of energie, en over dimensies buiten onze normale waarneming. Veel van hen zeggen dat het “echter dan echt” voelde.

In documentaires vertellen mensen dat zo’n ervaring intenser en betekenisvoller was dan hun trouwdag en soms zelfs indrukwekkender dan de geboorte van hun kind, alsof ze heel even achter het gordijn van de werkelijkheid mochten kijken.

Ook kankerpatiënten die psychedelische therapie ondergaan, geven vaak aan dat ze na zo’n ervaring meer vrede hebben met de dood. De angst lijkt af te nemen, alsof ze iets hebben ervaren dat verder reikt dan het puur fysieke bestaan.

Opvallend is bovendien dat veel mensen moeite hebben om onder woorden te brengen wat ze hebben meegemaakt. Ze zeggen dat taal tekortschiet en dat wat ze ervaren niet past binnen onze normale categorieën van denken.

Natuurlijk kun je zeggen dat dit simpelweg neurochemie is, het brein dat onder invloed van een stof bepaalde patronen activeert. Maar dan blijft de vraag waarom zoveel mensen, los van elkaar en uit verschillende culturen, vergelijkbare thema’s beschrijven. Waarom keren ideeën als entiteiten, eenheid en een andere laag van realiteit steeds terug?

Is het puur hallucinatie? Of zou het kunnen dat ons brein onder normale omstandigheden vooral filtert en dat psychedelica dat filter tijdelijk verzwakken?

Als duizenden mensen onafhankelijk van elkaar spreken over een ervaring die voelt als contact met iets dat groter is dan henzelf, overweeg je dan dat bewustzijn misschien meer is dan alleen chemie?

Tegelijkertijd ben ik erop gewezen dat zulke ervaringen ook misleidend kunnen zijn. Hij raadde mij aan voorzichtig om te gaan met dit onderwerp, omdat het mensen op een dwaalspoor kan zetten. Dat perspectief wil ik meenemen om het beeld compleet te houden.

En, heb ik je aan het denken gezet?

Na al deze punten, van het begin van het universum tot de fijn­afstemming van natuurconstanten, geloof je nog steeds dat dit allemaal puur toeval is? Of merk je dat de argumenten vóór het bestaan van God in elk geval serieuzer zijn dan je misschien vooraf dacht?

Ik weet het zelf ook niet met absolute zekerheid. Niemand weet het honderd procent zeker. Maar ik kan wel eerlijk zeggen dat mijn rationele brein, na alles af te wegen, het aannemelijker vindt dat er een intelligente oorzaak is dan dat alles zonder doel of richting is ontstaan.

Uiteindelijk heet het niet voor niets geloof. Als het wiskundig sluitend bewezen was, dan was het geen geloof meer, maar een formule.

Wat ik in ieder geval geen gezonde basis vind, is geloven uit angst. Als iemand zegt dat hij gelooft omdat hij bang is voor de hel, dan voelt dat voor mij niet zuiver. Angst is een zwakke fundering. Overtuiging, verwondering en eerlijk nadenken zijn dat wel.

Als dit artikel je aan het denken heeft gezet, stuur het gerust door naar mensen die hier ook voor openstaan.

En als je mijn werk waardeert en wilt steunen, dan waardeer ik dat enorm. Er gaat veel tijd, studie en denkwerk in zitten.

Voor wie verder wil denken volgen hierna nog acht aanvullende punten en overwegingen.

1. Life of Pi en de kracht van het grotere verhaal

Life of Pi is een van de mooiste films die ik ooit heb gezien.

In de film vertelt een Indiase man aan een Britse schrijver een ongelooflijk overlevingsverhaal. Een schip zinkt en hij overleeft op een reddingsboot, samen met een tijger, een hyena en andere dieren. Het klinkt bijna als een sprookje.

Aan het einde vraagt de schrijver: wat is er nu écht gebeurd?

Dan vertelt hij een tweede versie, zonder dieren en met harde menselijke wreedheid. Die versie klinkt realistischer en eerlijk gezegd ook geloofwaardiger.

Vervolgens stelt hij één simpele vraag: welk verhaal vind je mooier?

Daar zit iets belangrijks in. Soms gebruikt een mens een groter, symbolisch verhaal om een diepere waarheid over te brengen.

En dat brengt me bij religieuze teksten.

Ik kan me voorstellen dat sommige verhalen binnen religieuze tradities, inclusief de Bijbel, groter of dramatischer zijn verteld, misschien om morele of spirituele waarheden krachtiger over te brengen.

Wat vaak gebeurt, is dat mensen struikelen over de grootsheid van zo’n verhaal en daardoor de kern missen. Ze zeggen: dit kan niet letterlijk zo zijn gebeurd, dus het hele geloof is onzin.

Dat had ik zelf ook toen ik het Oude Testament las. Ik stuitte bijvoorbeeld op verhalen waarin iemand werd gestenigd omdat hij op de sabbat werkte, de joodse rustdag, wat in die tijd werd gezien als een directe overtreding van Gods wet. In eerste instantie vond ik dat barbaars en kon ik er met mijn verstand niet bij dat, als God echt zou bestaan, Hij zoiets zou doen.

De goede vriend die ik eerder noemde, die mij mijn eerste Bijbel heeft gegeven en zich veel meer in de Bijbel heeft verdiept dan ik, wees me erop dat die passages onderdeel waren van een oud juridisch systeem binnen een theocratische samenleving. Het ging niet om willekeurige daden van geweld, maar om wetten die volgens die cultuur rechtstreeks aan God werden toegeschreven. Dat is iets anders dan een losse morele uitspraak in onze tijd. Hij liet me ook zien hoe vertalingen verschillen in toon en woordkeuze, waardoor sommige passages harder of simplistischer overkomen dan ze in hun oorspronkelijke taal bedoeld waren. Dat betekende niet dat alles ineens logisch of acceptabel werd, maar wel dat mijn eerste reactie misschien te kort door de bocht was.

Misschien, dacht ik, lees ik dit met een 21e-eeuwse bril en mis ik de wereld waarin deze teksten zijn ontstaan.

Wat me vervolgens opviel, is dat deze teksten nooit zijn “opgeschoond” om ze acceptabeler te maken voor moderne lezers. Als het puur propaganda was geweest, zou je verwachten dat latere generaties de scherpe randen hadden weggepoetst. Dat is niet gebeurd. De ongemakkelijke passages staan er nog steeds.

Daarnaast blijkt uit onderzoek van veel bijbelwetenschappers dat termen als “vernietigen” of “uitroeien” vaak hyperbolische oorlogstaal waren, een stijlfiguur die in het oude Nabije Oosten gebruikelijk was. In latere passages lees je namelijk weer over dezelfde volken, wat erop wijst dat ze niet letterlijk waren uitgeroeid, maar dat er sprake was van overdreven oorlogsretoriek.

De oude wereld was geen moderne democratie, maar een harde, tribale en gewelddadige samenleving waarin overleven centraal stond. Dat maakt het niet automatisch goed, maar het plaatst het wel in perspectief.

Wat ik ook interessant vind, is dat vaak wordt gezegd dat God niets doet tegen kwaad. Maar als de tekst laat zien dat God gewelddadige culturen straft, dan is dat ineens ook een probleem.

Ik begrijp zeker niet alles. Maar hoe meer context ik kreeg, hoe genuanceerder het werd.

Net als bij Life of Pi kun je je afvragen wat een verhaal probeert te zeggen. Misschien gaat het niet alleen om de vraag welk verhaal technisch het meest correct is, maar om wat het verhaal over de menselijke ziel, over moraal en over lijden duidelijk wil maken.

2. Mijn eerste keer bidden liep niet goed af

Terwijl ik zelf intens met deze vragen bezig was, besloot ik op een dag te bidden. Mijn vader moest een CT-scan laten maken van zijn aorta, die in het verleden was gescheurd, en ik hoopte gewoon op goed nieuws.

Maar in plaats daarvan werd er als toevalsbevinding uitgezaaide kanker ontdekt.

Ik had er met een atheïstische bril naar kunnen kijken en kunnen denken: zie je wel, dit slaat nergens op. Als God bestaat, dan was dit niet gebeurd.

Toch geloof ik niet dat het zo zwart-wit is. Het kan zijn dat er lagen zijn die wij niet overzien, en misschien ook nooit volledig zullen begrijpen.

Tegelijkertijd was het juist die toevalsbevinding die ervoor zorgde dat de kanker vroegtijdig werd ontdekt en direct behandeld kon worden. Wat eerst alleen als slecht nieuws voelde, bleek ook een onverwachte mogelijkheid tot ingrijpen.

Wat me wel ook te binnen schoot, was het verhaal van Job uit de Bijbel. Alles zat hem tegen. Hij verloor zijn bezit, zijn gezondheid en zelfs zijn kinderen. Alles werd hem afgenomen, en toch bleef hij vasthouden aan zijn geloof.

Vroeger vond ik dat verhaal overdreven en moeilijk te begrijpen. Maar op dat moment, toen het leven zelf onverwacht hard binnenkwam, sprak het me ineens veel meer aan.

Misschien begrijp je sommige verhalen pas echt wanneer je er zelf middenin staat.

3. Is angst voor de dood echt de reden dat mensen geloven?

Er wordt vaak gezegd dat mensen in God geloven omdat ze bang zijn voor de dood, alsof geloof niets meer is dan een psychologische pleister tegen existentiële angst.

Maar denk daar eens rustig over na.

Heb je vannacht goed geslapen? Was je bang voor het moment waarop je in slaap viel? Tijdens diepe slaap ervaar je niets: geen pijn, geen zorgen en geen tijdsbesef. In zekere zin ben je er even niet, en juist dat niets wordt meestal niet als bedreigend ervaren.

Sterker nog, veel mensen doen er alles aan om even niets te voelen of hun gedachten uit te schakelen. Alcohol, drugs, eindeloos scrollen of series kijken zijn vaak manieren om tijdelijk minder bewust te zijn van druk en zorgen.

Waarom zouden mensen dan automatisch bang zijn voor de dood als ze ervan uitgaan dat er daarna simpelweg niets is? Als je niet in God gelooft en verwacht dat er na de dood niets volgt, betekent dat ook dat er geen lijden meer is. Voor sommigen is dat juist een geruststellende gedachte.

Het idee dat atheïsme per definitie angstiger is, klopt dus niet vanzelfsprekend. Voor veel mensen geeft het juist rust.

Je zou zelfs kunnen zeggen dat gelovigen het zichzelf op bepaalde manieren juist ingewikkelder maken. Zij denken na over een hiernamaals, over verantwoordelijkheid, over goed en kwaad, en in sommige religies ook heel concreet over oordeel.

Mijn schoonvader moest vorig jaar muziek opnemen in De Doelen in Rotterdam voor een groep streng gelovigen. Tijdens die bijeenkomst hield een pastoor een toespraak waarin hij zei: “Kinderen, de hel bestaat. En alles wat je doet of zelfs denkt, wordt opgeschreven in het boek des levens.”

Dat is geen licht of vrijblijvend verhaal. Het legt gewicht op je bestaan en op je keuzes. Geloof is dus niet simpelweg een vlucht uit angst voor de dood.

4. Het Collectieve bewustzijn

Een van de meest opvallende dingen waar ik ooit over las, ging over honden die lijken te “weten” wanneer hun baasje thuiskomt, zelfs als dat op een ander tijdstip is, met een andere auto of zonder vaste routine. Sommige mensen zien dat als aanwijzing voor iets als een vorm van collectief bewustzijn of een diepere verbinding.

Er zijn ook verhalen over dieren die nieuw gedrag opmerkelijk snel overnemen. Denk aan vogels die leerden melkflessen open te pikken of dieren die een bepaald mechanisme ontdekten om voedsel te bemachtigen, waarna soortgenoten op andere plekken vergelijkbaar gedrag vertoonden. Dat roept bij sommigen de vraag op hoe zulke kennis zich zo snel kan verspreiden.

Sommige denkers, zoals Rupert Sheldrake, hebben hierover gespeculeerd en spraken over “morfische velden”, een soort collectief geheugen in de natuur. Dat idee is omstreden en wordt door veel wetenschappers niet geaccepteerd, omdat er geen stevig experimenteel bewijs voor is. Toch blijft de vraag interessant.

Als we dit doortrekken naar de mens, kom je bij een gedachte-experiment.

Stel dat je vannacht droomt dat je je broertje of zusje bent en dat die ervaring volledig echt aanvoelt. Pas wanneer je wakker wordt, besef je dat je het nooit werkelijk was en dat jouw eigen brein die complete ervaring heeft gegenereerd.

En stel nu eens dat de dood iets vergelijkbaars is met wakker worden. Dat je op dat moment inziet dat je nooit slechts deze ene persoon bent geweest, maar een tijdelijke uitdrukking van iets groters, alsof het individuele leven een avatar is binnen een ruimer geheel van bewustzijn.

Sommige spirituele tradities verwoorden dat met uitspraken als: “We are dreaming the dream of the one mind” of “You are God living this temporary human experience.” Daarmee suggereren ze dat ons afzonderlijke ik misschien niet de uiteindelijke werkelijkheid is, maar een perspectief binnen een groter bewustzijn.

5. Je gaat nooit echt dood

De dood is in zekere zin een definitiekwestie.

Je lichaam sterft niet ineens als één massief blok, maar verandert voortdurend. Je huid vernieuwt zich ongeveer elke vier weken en het grootste deel van je skelet wordt binnen zo’n tien jaar vervangen. Cellen sterven af en worden opnieuw aangemaakt, oude gedachten verdwijnen en nieuwe ideeën ontstaan. Leven en dood wisselen elkaar continu af, alleen zo geleidelijk dat we het niet als zodanig ervaren.

Als je hand geamputeerd wordt, ben je dan voor een dertigste gestorven? Natuurlijk niet. Toch is er fysiek iets van je verdwenen.

Een kind in de buik van haar moeder is biologisch volledig met haar verbonden. Na het doorknippen van de navelstreng spreken we ineens van twee aparte levens. De grens tussen “één” en “twee” blijkt dunner dan we vaak denken.

Zelfs op atoomniveau sterft niets echt. De atomen in jouw lichaam zijn gevormd in sterren die miljarden jaren geleden zijn geëxplodeerd. Zonder stervende sterren geen koolstof, geen zuurstof, geen leven hier. Wanneer jij een glas water drinkt, neem je atomen op die ooit onderdeel waren van andere mensen, dieren of planten. Materie verdwijnt niet, zij verandert van vorm. Huidschilfers die van je lichaam vallen worden opgenomen in de bodem, in planten en in andere organismen. In die zin leef je letterlijk verder in de wereld om je heen.

Maar het gaat verder dan materie.

Elke actie die jij uitvoert heeft gevolgen, of het nu een gesprek is, een keuze die je maakt of een maaltijd die je voor iemand bereidt. Alles zet een kettingreactie in gang. Die persoon beïnvloedt weer iemand anders. Jouw bestaan rimpelt door in de toekomst, vaak op manieren die je nooit zult zien.

Zelfs een doodgeboren kind leeft voort in de impact op ouders en familie, omdat verdriet en liefde mensen blijvend veranderen en die verandering weer doorwerkt in anderen. Invloed is een vorm van voortleven.

Denk aan William Shakespeare. Hij is fysiek al eeuwen dood, maar zijn woorden beïnvloeden nog steeds miljoenen mensen. Zijn denken leeft voort in andere hoofden.

Ik sprak hier jaren geleden over met een vriend die via IVF is geboren. Zijn biologische vader is niet in beeld, maar zijn stiefvader leeft voort in hem via alles wat hij hem heeft meegegeven. 

Het leven lijkt daardoor minder op losse individuen en meer op een doorlopende keten van oorzaak en gevolg, waarin alles met elkaar verbonden is.

In The Fountain wordt dat krachtig verbeeld. Een arts probeert zijn stervende vrouw te redden, maar wordt geconfronteerd met haar dood. Zij vraagt hem een zaadje te planten boven haar graf, zodat uit haar lichaam nieuw leven kan groeien. Later reist hij in een andere verhaallijn met die boom richting een ster die op het punt staat te exploderen. Wat normaal als vernietiging wordt gezien, blijkt de bron van nieuw leven, want sterren moeten sterven zodat de elementen ontstaan waaruit planeten en uiteindelijk wijzelf worden gevormd.

Als je voortleeft in materie, in herinneringen, in de keuzes die je hebt beïnvloed en in generaties na jou, ben je dan werkelijk volledig verdwenen?

Kijk naar de sterren die ooit “stierven” en daarmee ons bestaan mogelijk maakten. In dat opzicht is dood niet alleen een einde, maar ook een voorwaarde voor nieuw leven.

6. Waarom laat God zich niet gewoon zien? 

Als God bestaat, waarom laat Hij zich dan niet onmiskenbaar zien? Dan zou toch iedereen geloven?

Dat klinkt logisch. Maar stel dat Gods bestaan net zo vanzelfsprekend zou zijn als 2 + 2 = 4. Dan wordt geloven geen vrije keuze meer, maar een onvermijdelijke conclusie.

Veel religies delen daarom een vergelijkbare gedachte: misschien is dit leven geen eindstation, maar een morele en existentiële beproeving waarin onze keuzes werkelijk betekenis en consequenties hebben.

Als alles volledig zichtbaar en bewezen zou zijn, verdwijnt er mogelijk iets wezenlijks: de morele spanning, de ruimte om te kiezen, het vertrouwen zonder volledige controle.

En wat zou eigenlijk genoeg zijn om iedereen te overtuigen? Spectaculaire wonderen? Een stem uit de hemel? Voor sommigen is de extreme fijn-afstemming van het universum, die kans van één op een getal met 120 nullen waar ik het eerder over had, al een vorm van wonder. Blijkbaar hangt veel af van hoe je kijkt.

Misschien moeten we ons ook afvragen of volledige openheid wel goed zou zijn voor de mens. Stel dat we met absolute zekerheid wisten hoe alles in elkaar zit, wat er na de dood gebeurt en waarom het universum precies is ontstaan. Zou dat ons vrijer maken, of juist passiever? Zou het onze levenslust versterken, of de zoektocht uit het bestaan halen?

Mensen willen alles weten over het ontstaan van leven en het universum. Maar het zou kunnen dat juist het mysterie onderdeel is van wat het leven betekenis geeft.

Ik ben er misschien nu iets te veel over aan het filosoferen. Ik heb hier nog geen enkel antwoord op, en waarschijnlijk zal ik dat ook nooit volledig krijgen. Maar juist het besef dat wij niet alles overzien, maakt voor mij de mogelijkheid van iets groters niet kleiner, maar eerder aannemelijker.

7. Ultiem kwaad, ultiem goed

Een van de krachtigste argumenten tegen het bestaan van God is het lijden van onschuldige kinderen, bijvoorbeeld kinderen met kanker. Want hoe kan zoiets gebeuren als God bestaat? Het voelt fundamenteel verkeerd.

Als het universum puur materieel en blind is, dan is lijden uiteindelijk een biologisch proces: cellen die zich verkeerd delen, evolutie zonder morele voorkeur, natuur die onverschillig is. Binnen zo’n kader is er geen ultieme morele categorie, alleen oorzaak en gevolg.

Maar zo ervaren wij het niet. Wij spreken over écht kwaad, niet alleen over biologische pech. En als ultiem kwaad überhaupt een betekenisvolle categorie is, waarom zou ultiem goed dan ondenkbaar zijn?

In veel religieuze tradities wordt daarom gesproken over een tegenstander of een bron van corruptie. In het christendom wordt die satan genoemd. Dat is geen eenvoudige uitweg voor het probleem van het kwaad, maar het erkent wel dat de werkelijkheid moreel gebroken kan zijn zonder dat daarmee het bestaan van God automatisch wordt ontkend.

Het bestaan van kwaad kun je gebruiken als argument tegen God. Maar het kan je ook dwingen om na te denken over de bron van goed.

Los van het specifieke voorbeeld van kinderen met kanker kun je nog een andere vraag stellen. Zou het kunnen dat lijden soms ook een rol speelt in hoe mensen zich verhouden tot het leven en tot God? In extreme situaties zie je vaak dat mensen spontaan beginnen te bidden. Hoe groter de angst of wanhoop, hoe sterker de neiging om zich tot iets hogers te richten. In een zinkende onderzeeër bidt ineens bijna iedereen.

Dat bewijst natuurlijk niets. Maar het laat wel zien hoe diep die reflex blijkbaar in ons zit.

8. Waarom is het universum wiskundig?

Hoe kan het dat wij, kleine biologische wezens op een minuscuul stofdeeltje in een gigantisch heelal, met formules de beweging van sterren kunnen berekenen? Waarom blijken abstracte vergelijkingen de werkelijkheid zo nauwkeurig te beschrijven?

Wiskunde is geen materieel object. Je kunt het niet vastpakken of wegen. Toch lijkt de structuur van het universum diep doordrenkt van wiskundige orde. Natuurwetten zijn op zichzelf niet tastbaar, maar ze beschrijven wel met verbluffende precisie hoe materie en energie zich gedragen.

Een beroemd voorbeeld komt van natuurkundige Paul Dirac. Toen hij een vergelijking opstelde voor het elektron, kreeg hij naast de gebruikelijke oplossingen ook een onverwachte uitkomst: een oplossing met negatieve energie. In plaats van die weg te gooien als een wiskundige fout, nam hij zijn eigen vergelijking serieus. Hij concludeerde dat er een deeltje moest bestaan dat hetzelfde was als een elektron, maar met tegengestelde lading. Jaren later werd dat deeltje daadwerkelijk gevonden: het positron. 

De wiskunde bleek een fysische realiteit te hebben voorspeld voordat we die ooit hadden gemeten.

Dat moment wordt vaak gezien als iets bijna mystieks binnen de natuurkunde: de wiskunde liep vooruit op de werkelijkheid.

Dat roept een diepere vraag op. Waarom is de kosmos zo rationeel gestructureerd? En misschien nog fundamenteler: waarom is ons brein überhaupt in staat om die rationele structuur te doorgronden?

Het voelt bijna alsof het universum geschreven is in een taal die wij kunnen lezen.

Misschien komen zowel het universum als ons denkvermogen voort uit dezelfde rationele bron.

9. Quantummechanica en de rol van observatie

Quantummechanica klinkt soms bijna absurd, en toch is het een van de best bevestigde theorieën binnen de natuurkunde. Sommige aspecten ervan lijken te suggereren dat de werkelijkheid minder puur mechanisch is dan we lange tijd hebben gedacht.

Neem het dubbele-spleetexperiment. Daaruit blijkt dat wanneer je meet of detecteert door welke spleet een deeltje gaat, het gedrag van dat deeltje verandert. Zonder meting gedraagt het zich als een golf; met meting gedraagt het zich als een deeltje. Het lijkt alsof de manier waarop we meten invloed heeft op wat er gebeurt.

Albert Einstein noemde bepaalde quantumverschijnselen daarom “spooky action at a distance”, omdat het leek alsof deeltjes op mysterieuze wijze met elkaar verbonden waren, zelfs over grote afstanden.

Sommigen concluderen hieruit dat iets pas bestaat als het wordt waargenomen. Dat is een te simplistische interpretatie. Het universum bestond natuurlijk al miljarden jaren voordat er mensen waren om het te observeren. Wat quantummechanica wél laat zien, is dat meting en interactie fundamentele onderdelen zijn van hoe de werkelijkheid zich op het kleinste niveau manifesteert.

Dat roept interessante vragen op over de relatie tussen bewustzijn en materie. Is bewustzijn puur een bijproduct van materiële processen, of speelt het op een dieper niveau een rol in hoe werkelijkheid zich concreet vormt?

Sommige natuurkundigen, zoals John Archibald Wheeler, speculeerden over een “participatory universe”, een universum waarin waarneming een fundamentele rol speelt in het tot stand komen van fysieke realiteit.

Betekent dat dat God het universum moest observeren voordat de mens er was? Als harde wetenschappelijke claim gaat dat te ver. Maar het laat wel zien dat de werkelijkheid op fundamenteel niveau minder eenvoudig en minder puur mechanisch is dan men vroeger aannam.

Materie is geen vaste, massieve substantie. Op het kleinste niveau spreken we over waarschijnlijkheden, velden en potenties die zich onder bepaalde omstandigheden concretiseren.

En dat opent een filosofische mogelijkheid: misschien is bewustzijn niet zomaar een toevallige bijwerking van materie.

10. De kans dat jij een bewustzijn hebt

Mensen zeggen weleens: jij bent gewoon de winnende zaadcel uit miljoenen, eigenlijk miljarden als je alle keren meerekent dat er geen bevruchting plaatsvond.

Maar als je er langer over nadenkt, besef je dat je helemaal aan het einde staat van een enorme kansboom.

Voordat jij er was, moest er al ongelooflijk veel “goed vallen”: een universum dat überhaupt bestaat, een planeet als de aarde en precies de juiste omstandigheden voor leven. Vervolgens moest leven zich ontwikkelen tot zoogdieren en uiteindelijk tot mensen, met jouw specifieke familielijn die duizenden generaties lang is blijven voortbestaan.

En dan is er nog de timing.

Het universum bestaat ongeveer 13 tot 14 miljard jaar, en de mens slechts een fractie daarvan. Toch leef jij precies nu, in dit minuscule tijdsvenster.

Maar kijk niet alleen naar wat al geweest is. Neem de volledige periode waarin leven überhaupt mogelijk zou kunnen zijn. Sommige berekeningen gaan ervan uit dat het universum nog zo’n 100 biljoen jaar geschikt kan blijven voor vormen van leven.

Als je dan zeventig jaar wordt, beslaat jouw volledige bestaan ongeveer 0,0000000000007 van die totale levensvatbare tijdspanne. Op de schaal van alles wat ooit leven zou kunnen dragen, ben jij in zekere zin een afrondingsfout. En toch ben je er.

Wiskundig gezien is de kans dat jij in dit specifieke moment van de geschiedenis bestaat extreem klein. Niet alleen dat er leven is, maar dat er bewust leven is, en dat jij precies deze persoon bent, op dit moment.

Als bewust bestaan het resultaat is van een bijna onvoorstelbare opeenstapeling van uiterst onwaarschijnlijke voorwaarden, dan is het niet irrationeel om te vragen of dit werkelijk het gevolg is van blind toeval, of dat er misschien een diepere orde achter schuilgaat.

11 “Vier miljard jaar later”

Stel je een toneelstuk of film voor waarin het verhaal zich langzaam opbouwt. 

Alles wordt complexer, conflicten stapelen zich op en het lijkt onmogelijk om het nog logisch of geloofwaardig op te lossen. En dan, helemaal aan het einde, zegt de schrijver: “En toen kwam God en loste alles op.” De meeste mensen zouden dat een goedkoop einde noemen.

Maar stel je nu een andere versie voor. Het verhaal wordt steeds ingewikkelder en de situatie lijkt uitzichtloos. Aan het einde zegt de verteller: “En toen gingen er vier miljard jaar overheen… en uiteindelijk was alles opgelost.” Dat voelt ergens net zo gemakkelijk.

Dat gevoel krijg ik soms bij natuurdocumentaires. Er wordt een enorm complex probleem geschetst en vervolgens hoor je: “In de loop van miljoenen jaren ontwikkelde zich…” Alsof het noemen van tijd op zichzelf al voldoende uitleg is.

Tijd verklaart veel, maar tijd op zichzelf is geen mechanisme. Het is een kader waarin processen plaatsvinden. De echte vraag is wat er in die tijd precies gebeurde en hoe plausibel die processen zijn.

Dit is geen bewijs voor God. Maar wat ik hiermee wil laten zien, net als eerder in dit artikel, is dat een beroep op miljarden jaren een verklaring niet automatisch sluitend maakt. De discussie gaat uiteindelijk niet alleen over tijd, maar over plausibiliteit.

12. Misschien bestuderen we met wetenschap gewoon Gods werk

Wij noemen het natuurwetten, zoals zwaartekracht, elektromagnetisme en kwantumvelden, maar uiteindelijk beschrijven we niets anders dan patronen, regelmatigheden en structuren in de werkelijkheid.

We meten hoe sterk zwaartekracht is, weten hoe snel objecten vallen en kunnen berekenen hoe planeten zich bewegen, maar wat zwaartekracht op fundamenteel niveau ís, weten we eigenlijk niet. We beschrijven de kromming van ruimte en tijd, maar waarom ruimte en tijd überhaupt bestaan en waarom ze juist deze eigenschappen hebben, blijft een mysterie.

Wetenschap observeert en verklaart veel, maar ze beantwoordt niet altijd het “waarom”; ze richt zich vooral op het “hoe”.

We begrijpen hoe DNA functioneert, we kunnen het sequencen en zelfs genen bewerken, maar waarom er überhaupt een gecodeerde blauwdruk voor leven bestaat, waarom er informatie is in plaats van pure chaos, valt niet eenvoudig te meten.

Misschien zijn wat wij natuurwetten noemen geen toevallige regels, maar uitdrukkingen van een diepere orde. Je kunt ze natuurwetten blijven noemen, maar sinds ik geloof dat er meer is, zie ik ze eerder als godswetten.

En om met een mooie en tegelijk grappige opmerking af te sluiten die ik ooit onder een YouTube-video las:

“Mijn natuurkundeleraar op de middelbare school zei altijd: God heeft de wereld gemaakt en de wetenschap probeert uit te zoeken hoe Hij dat heeft gedaan.”

Daar kan ik me wel in vinden.

13. Je moet ervoor openstaan

Soms denk ik dat geloof een beetje lijkt op dingen als koud douchen of meditatie. Als je het nooit hebt gedaan, klinkt het al snel als onzin, zweverig of overdreven. Mensen zeggen dat het niet werkt of dat het niets voor hen is, terwijl ze het vaak nooit echt een eerlijke kans hebben gegeven.

Pas wanneer ze het een paar weken serieus proberen, merken ze dat ze zich energieker voelen of dat hun hoofd rustiger wordt. Het verschil zit dan niet alleen in de methode, maar in de bereidheid om het oprecht te testen.

Misschien werkt geloof op een vergelijkbare manier. Als je vooraf al hebt besloten dat het onzin is, zul je er nooit open naar kijken en wordt alles automatisch door die ene lens geïnterpreteerd.

Maar als je bereid bent om het serieus te overwegen, niet alleen te analyseren maar ook te ervaren, verandert het gesprek. Je hoeft je verstand niet uit te schakelen, maar je moet misschien wel bereid zijn om niet alles bij voorbaat dicht te timmeren.

14. Historische aanwijzingen rond Jezus

Wanneer je naar de oudheid kijkt, zie je dat we van veel koningen en bestuurders uit die tijd slechts een handvol verwijzingen hebben. Neem bijvoorbeeld Pontius Pilatus, de Romeinse bestuurder die Jezus veroordeelde. Ook over hem beschikken we maar over een beperkt aantal historische bronnen.

Over Jezus van Nazareth is er, relatief gezien, opvallend veel documentatie voor een Joodse leraar uit een uithoek van het Romeinse Rijk.

En dat zijn niet alleen christelijke bronnen. Ook niet-christelijke historici zoals Tacitus en Flavius Josephus verwijzen naar hem. Daarom bestaat er onder historici brede academische consensus dat Jezus daadwerkelijk heeft bestaan en dat hij onder Pontius Pilatus is gekruisigd.

Het echte debat begint bij de opstanding.

Wat historisch eveneens goed wordt onderbouwd, is dat zijn volgelingen oprecht geloofden dat hij na zijn dood aan hen was verschenen. Zij bleven dat verkondigen, zelfs toen dat vervolging en gevaar voor hun eigen leven met zich meebracht.

Dat bewijst de opstanding niet. Maar wat historisch lastig te negeren is, is dat er iets moet zijn gebeurd waardoor een kleine, angstige groep volgelingen veranderde in een beweging die uiteindelijk het Romeinse Rijk diepgaand beïnvloedde.

En dat vraagt op zijn minst om een serieuze verklaring.

Take home message 

Dankjewel als je helemaal tot aan het einde van mijn lange betoog bent gekomen.

Of je het met me eens bent of niet, het feit dat je dit gelezen hebt betekent dat je in ieder geval bereid bent om na te denken. En dat is eigenlijk alles wat ik wil bereiken.

Ik pretendeer niet dat ik alle antwoorden heb, maar ik heb geprobeerd te laten zien dat geloof in God niet per definitie irrationeel of intellectueel gemakzuchtig is.

Misschien vullen wetenschap en geloof elkaar juist daarom zo goed aan. Wetenschap onderzoekt het hoe en het wanneer, terwijl religie de vraag naar het waarom stelt.

Of zoals iemand het mooi verwoordde: “Trust in God, but wear your seatbelt.”

Misschien blijf je atheïst, misschien word je gelovig of kom je ergens daartussen uit. Maar als je na dit alles iets minder zeker bent van je vanzelfsprekende aannames of bewuster van waar je zelf voor staat, dan is het doel al bereikt.

En nogmaals, als je dit interessant vond en mijn werk wilt steunen, dan waardeer ik dat oprecht.

Over Diederik

Diederik heeft een medisch-wetenschappelijke achtergrond. In zijn vrije tijd schrijft hij onder andere over gezondheidskwesties voor Human Nature.

Bronnen

Cohen-Zimerman, S., Cristofori, I., Zhong, W., Bulbulia, J., Krueger, F., Gordon, B., & Grafman, J. (2020). Neural underpinning of a personal relationship with God and sense of control: A lesion-mapping study. Cognitive, Affective, & Behavioral Neuroscience, 20(3), 575-587.

Fingelkurts, A. A., & Fingelkurts, A. A. (2009). Is our brain hardwired to produce God, or is our brain hardwired to perceive God? A systematic review on the role of the brain in mediating religious experience. Cognitive Processing, 10(4), 293-326.

Kapogiannis, D., Barbey, A. K., Su, M., Zamboni, G., Krueger, F., & Grafman, J. (2009). Cognitive and neural foundations of religious belief. Proceedings of the National Academy of Sciences, 106(12), 4876-4881.

Darwin, C. (2025). On the origin of species. In Scientific Methodology in Nineteenth Century Britain (pp. 133-181). Routledge.

Cristofori, I., Cohen-Zimerman, S., Bulbulia, J., Gordon, B., Krueger, F., & Grafman, J. (2022). The neural underpinning of religious beliefs: Evidence from brain lesions. Frontiers in behavioral neuroscience, 16, 977600.

Carvour, H. M., Radke, A. K., & French, N. S. (2025). A review of the neuroscience of religion: an overview of the field, its limitations, and future interventions. Frontiers in Neuroscience, 19, 1587794.