Hoe Werkt Antidepressiva? Soorten en Werking

Bij depressie, angst, slaapproblemen en pijn kunnen antidepressiva voorgeschreven worden. Maar hoe werkt antidepressiva?

KORT ANTWOORD

Antidepressiva brengen de chemische stoffen in je hersenen (neurotransmitters) in evenwicht die invloed hebben op je stemming en emoties. Als je te weinig serotonine en dopamine in je hersenen hebt, kan er namelijk een depressie ontstaan. Antidepressiva kunnen deze neurotransmitters verhogen. Dit doen antidepressiva door de heropname van serotonine en dopamine te blokkeren waardoor de niveaus van die neurotransmitters in je hersenen omhoog gaan. Er zijn verschillende soorten antidepressiva zoals selectieve serotonine heropname remmers (SSRI’s), tricyclische antidepressiva, serotonine- en noradrenaline heropnameremmers (SNRI’s), MAO-remmers en atypische antidepressiva. Als de typische antidepressiva niet gewerkt hebben kan een atypisch antidepressivum geprobeerd worden.

Dit artikel vertelt je het werkingsmechanisme van de verschillende soorten antidepressiva inclusief de bijwerkingen die op kunnen treden.

hoe werkt antidepressiva

Soorten antidepressiva

Om normaal te functioneren heb je zowel serotonine als noradrenaline nodig. Te veel van van deze neurotransmitters resulteert in angst terwijl een tekort juist voor een depressie zorgt. 

Verschillende soorten antidepressiva kunnen het tekort verhelpen en de neurotransmitters terug in evenwicht brengen. Er bestaan verschillende soorten antidepressiva. 

Tricyclische antidepressiva. Tricyclische antidepressiva (TCA’s) blokkeren de heropname van serotonine en noradrenaline waardoor de niveaus omhoog gaan. De moleculaire structuur heeft drie atoomringen, vandaar de naam ‘’tricyclische’’ antidepressiva. 

SSRI’s. Selectieve serotonine heropname remmers, oftewel SSRI’s kunnen het serotonineniveau in je hersenen verhogen. Dit doen ze dus door heropname (reabsorptie) van serotonine in je zenuwcellen te blokkeren.

SNRI’s. Serotonine- en noradrenaline heropnameremmers, oftewel SNRI’s, blokkeren de heropname van zowel serotonine als noradrenaline. Hierdoor nemen deze neurotransmitters in de hersenen toe.

MAO-remmers. Het enzym monoamine-oxidase verwijdert monoamines zoals serotonine, dopamine en noradrenaline uit de hersenen. MAO-remmers kunnen dit dus blokkeren waardoor de actieve hersenchemicaliën toenemen. 

Atypische antidepressiva. Net zoals de hiervoor besproken antidepressiva veranderen ook atypische antidepressiva de hersenchemie en de zenuwcelcircuit communicatie die betrekking hebben op de stemming. Ze vallen echter niet onder de hoofdklassen van antidepressiva. SSRI’s en TCA’s behoren zijn typische antidepressiva die het serotonine en noradrenaline verhogen. Het grote verschil is dat atypische antidepressiva in veel gevallen over meerdere werkingsmechanismen beschikken. Als de andere soorten antidepressiva niet hebben gewerkt kunnen deze voorgeschreven worden.

Lage levels monoamines leidt tot depressie

In je hersenen communiceren je hersencellen (neuronen) met hersenstofjes (neurotransmitters). De chemie van een bepaalde groep hersenstofjes is bij depressie verstoord, de zogeheten monoamines.

Monoamines zijn de specifieke neurotransmitters serotonine, dopamine en noradrenaline.

Wanneer de niveaus van serotonine, dopamine en/of noradrenaline omlaag gaan kan er een depressie ontstaan. Dit wordt ook wel de monoamine hypothese van depressie genoemd.

De beschikbare antidepressiva richten zich op deze neurotransmitters. Ze blokkeren de heropname waardoor de concentraties ervan omhoog gaan en er dus neurochemische veranderingen plaatsvinden.

Hiermee kan een depressie omgekeerd worden. Kortom, sinds we de chemie van depressie begrijpen kunnen mensen effectief geholpen worden.

Bijwerkingen antidepressiva

Er zijn wel een aantal bijwerkingen waar je rekening mee moet houden. We zullen de bijwerkingen van zowel tricyclische antidepressiva (TCA’s) als selectieve serotonine heropname remmers (SSRI’s) doornemen.

Veelvoorkomende bijwerkingen van tricyclische antidepressiva (TCA’s):

  1. licht wazig zicht 
  2. droge mond
  3. duizeligheid
  4. aankomen in gewicht
  5. constipatie
  6. slaperigheid
  7. plasproblemen
  8. overmatig zweten
  9. aritmie (hartritmestoornissen) 

Als je lichaam er na een paar weken aan begint te wennen zouden ook de bijwerkingen af moeten nemen.

Veelvoorkomende bijwerkingen van SSRI’s en SNRI’s:

  1. beven
  2. agitatie
  3. angst
  4. hoofdpijn
  5. indigestie
  6. ziekig gevoel, ziek zijn
  7. slapeloosheid, slaperigheid
  8. maagpijn
  9. minder zin in seks
  10. constipatie
  11. diarree
  12. eetlust verlies
  13. duizeligheid
  14. moeilijker orgasmes kunnen krijgen
  15. erectiestoornis (moeite om een erectie te krijgen of te behouden) 

Binnen een paar weken zouden deze bijwerkingen moeten verbeteren. Echter, sommige zouden aan kunnen houden.

Take home message

5% van de mensen kampt met depressie. Gelukkig kunnen antidepressiva hierbij helpen. Om te begrijpen hoe ze dit precies doen moet je wat meer over de hersenchemie weten.

Zenuwen communiceren via hersenstofjes, de zogeheten neurotransmitters. Wanneer de hersenchemie is verstoord en je te weinig van bepaalde hersenstofjes hebt, kan er een depressie optreden.

Bij stemmingsstoornissen zoals depressie en angst kunnen antidepressiva voorgeschreven worden. Maar hoe kan zo’n medicijn je stemming effectief beïnvloeden? Dus hoe werkt antidepressiva?

Over het algemeen zullen de verschillende soorten antidepressiva de neurotransmitters serotonine en dopamine verhogen. 

Antidepressiva kunnen de stemming verbeteren, de nachtrust bevorderen, de concentratie verhogen en de eetlust verhogen.

Verschillende soorten antidepressiva zijn tricyclische antidepressiva, selectieve serotonine heropname remmers (SSRI’s), MAO-remmers, serotonine- en noradrenaline heropnameremmers (SNRI’s) en atypische antidepressiva.

Over Diederik

Diederik heeft een medisch-wetenschappelijke achtergrond. In zijn vrije tijd schrijft hij over gezondheidskwesties.

Bronnen

Harmer, C. J., Duman, R. S., & Cowen, P. J. (2017). How do antidepressants work? New perspectives for refining future treatment approaches. The Lancet Psychiatry, 4(5), 409-418.

Richelson, E. (1989). Antidepressants. In Abnormal States of Brain and Mind (pp. 15-16). Birkhäuser, Boston, MA.

Anderson, I. M. (2000). Selective serotonin reuptake inhibitors versus tricyclic antidepressants: a meta-analysis of efficacy and tolerability. Journal of affective disorders, 58(1), 19-36.

Delgado, P. L. (2000). Depression: the case for a monoamine deficiency. Journal of clinical Psychiatry, 61(6), 7-11.